Thamnophis butleri

Pictures of Thamnophis butleri

Wetenschappelijke naam:
Thamnophis butleri
Nederlandse naam:
Butler's Kousebandslang
Engelse naam:
Butler's Garter Snake
Duitse naam:
Butlers Strumpfbandnatter
Ondersoorten: Geen
Herkomst:

Van Centraal Ohio en Centraal Indiana noordwaarts via Oostelijk Michigan en het uiterste zuiden van Ontario.
Geografisch geïsoleerde populaties komen voor in het uiterste Zuidoosten van Wisconsin en in de Luther Marsh streek in Centraal, Zuidelijk Ontario.

Het actuele weer in het verspreidingsgebied:

(Bij benadering)

Waar er meerdere lokaties getoond worden is er zoveel mogelijk van noord naar zuid gewerkt.

Determinatiegegevens:

Schubbenrijen midden op de rug Maximaal 19
Bovenlipschilden aan één kant 7 (of soms 6)
Onderlipschilden aan één kant 8 of 9
Aantal tanden in de bovenkaak 19 - 23
Buikschilden mannen 132 - 150
Buikschilden vrouwen 129 - 151
Onderstaartschilden mannen 57 - 72
Onderstaartschilden vrouwen 49 - 64
Rel. staartlengte mannen 21,5 - 28,2 %
Rel. staartlengte vrouwen 19,3 - 24,4 %
Flankstrepen Op rij 2 en 3 en op de onderrand van rij 4 (in elk geval op het voorste deel van het lichaam) en soms op de rand van rij 1.
Rugstreep Aanwezig
Kleur en tekening De rug is meestal bruin tot zwart gekleurd. Bij lichtere exemplaren zijn er vaak twee alternerende rijen donkere vlekken zichtbaar tussen de strepen. De strepen zijn geel gekleurd. Op de buik ligt meestal aan beide zijden een rij ronde, zwarte vlekken. Soms ligt er in het midden ook nog een rij zwarte, onregelmatige vlekjes.
Overig Op de randen van de bovenlipschilden ontbreekt meestal het zwarte pigment.
Bijzonderheden: Gemiddelde lengte tussen 45 en 55 cm. Recordlengte is ca. 74 cm.
Komt tot op hoogtes van 500 meter voor.
Vertoont een compleet ander vluchtgedrag dan andere kousebandslangensoorten. Tijdens de vlucht werpt hij zijn lichaam zijdelings heen en weer. De reden hiervoor is niet bekend; hierdoor gaat hij langzamer vooruit dan wanneer hij normaal zou kruipen.
Houdt een 4 tot 5 maanden durende winterslaap.
Biotoop: Komt vooral voor in moerasgebieden, vochtige graslanden, prairie-achtige gebieden en bij watertjes in open gebied.
Houdt zich vaak op in de buurt van watertjes, maar wordt ook wel in gebieden aangetroffen die een deel van het jaar droog vallen.
Voedsel: Vooral regenwormen en andere ongwervelde dieren, maar soms ook wel amfibieën en vissen.
Voortplanting: Paringen direct na de winterslaap (eind maart/begin april).
Er worden gemiddeld ca. 10 jongen per worp geboren, met een maximum tot 16 jongen. Deze zijn bij de geboorte ca. 15 tot 18 cm lang.
Terrarium: Deze kleinblijvende soort kan in een klein terrarium gehouden worden.
Aangezien ze nauwelijks het water in gaan en ook nauwelijks klimmen is een klein waterbassin voldoende en zijn klimtakken niet persé noodzakelijk.
Deze soort graaft graag en een dikke laag bodemsubstraat is noodzakelijk.
Is een geschikte soort om het hele jaar in een buitenterrarium te houden.
Eet voornamelijk regenwormen, maar het lukt meestal ook wel om de dieren op vis o.i.d. om te schakelen.
Een winterslaap van ca. 4 maanden wordt aanbevolen.
Bron: Strumpfbandnattern - Hallmen & Chlebowy
The Garter Snakes - Rossman e.a.
Strumpfbandnattern - Thomas Bourguignon
Die Strumpfbandnattern - Frank Mutschmann
EMBL
Links naar info over Thamnophis butleri: Species at risk - Canada
Conservation Strategy
Butler's garter snake in Wisconsin